PG bij de Hoge Raad dient vorderingen tot cassatie in het belang der wet in euthanasiezaak in

 In Rechtspraak

De Procureur-Generaal (PG) bij de Hoge Raad, Jos Silvis,  heeft vandaag twee vorderingen  tot cassatie in het belang der wet in een euthanasiezaak ingediend. Het gaat om zowel de strafzaak als de tuchtzaak tegen een verpleeghuisarts die euthanasie verleende aan een uitzichtloos en ondraaglijk lijdende dementie-patiënte. In een schriftelijke verklaring had de patiënte haar doodswens vastgelegd voor het geval zij ernstig dement zou worden en opgenomen zou moeten worden in een verpleeghuis. De vorderingen van de PG zijn bedoeld om de Hoge Raad in staat te stellen richting te geven aan de rechtsontwikkeling over euthanasie.

Euthanasie op verzoek en dementie
Sinds de invoering van de Euthanasiewet (officieel de Wet toetsing levensbeëindiging en hulp bij zelfdoding) in 2002, is het de eerste keer dat de Hoge Raad zich direct over de uitleg van deze wet kan uitspreken. Dit komt doordat de verplichte meldingen van artsen die euthanasie hebben verleend, volgens de wet in beginsel eerst getoetst worden door Regionale Toetsingscommissies Euthanasie. Pas als zo’n commissie van mening is dat een arts de wettelijke zorgvuldigheidseisen niet voldoende heeft nageleefd, kan de zaak door het openbaar ministerie voor de strafrechter en/of door de Inspecteur voor de Volksgezondheid voor de tuchtrechter worden gebracht. Dit is de eerste keer na 2002 dat met toepassing van de Euthanasiewet zowel een strafvervolging als een vervolging voor de tuchtrechter plaatsvond. In de vorderingen komen diverse vragen aan de orde waar de praktijk graag duidelijkheid over wil hebben.

De Euthanasiewet berust op de door de wetgever aanvaarde fundamenten van de beschermwaardigheid van leven, het zelfbeschikkingsrecht van mensen, compassie met lijden en bescherming van de menselijke waardigheid. Bij de beschermwaardigheid van het leven gaat het er niet om het leven zo lang mogelijk te laten duren. Het recht op zelfbeschikking brengt met zich dat wilsbekwame mensen schriftelijk een verzoek kunnen vastleggen euthanasie toe te passen voor het geval zij later ondraaglijk en uitzichtloos lijden en dan niet meer in staat zijn om mondeling een doodswens kenbaar te maken.

Een belangrijke vraag die speelt is of euthanasie uitgevoerd mag worden op grond van een schriftelijk euthanasieverzoek als de patiënt door vergevorderde dementie de doodswens niet meer kan bevestigen. In de medische wereld is het lange tijd de norm geweest dat er nog in enige mate met de patiënt moest kunnen worden gecommuniceerd. Volgens de Euthanasiewet is dit niet in alle omstandigheden vereist. Doordat de medisch professionele norm op dit punt aanvankelijk strikter was dan de wet, is in ieder geval na het verschijnen van de Handreiking schriftelijk euthanasieverzoek in 2015 onduidelijkheid ontstaan. Daarom is de artsenfederatie KNMG in 2017 het project “Euthanasie en gevorderde dementie” gestart. De KNMG verwacht in de loop van 2020 met een professionele visie te komen op dit punt. De beslissingen van de Hoge Raad in deze zaak zullen worden betrokken in de ethische en juridische analyse binnen dat project.

Inhoud van de vorderingen
De kern van de vorderingen houdt het volgende in. De wetgever heeft willen voorkomen dat wilsonbekwame patiënten in een situatie van uitzichtloos lijden belanden als zij om dat te voorkomen tevoren schriftelijk om euthanasie hebben verzocht. Om daaraan recht te doen moet voor artsen vaststaan welke normen gelden en welke beoordelingsruimte zij hebben om beslissingen over levensbeëindiging te nemen. Een belangrijke voorwaarde is dat sprake moet zijn van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Ook moet sprake zijn van een geldig euthanasieverzoek van de patiënt. Bij de interpretatie van een schriftelijk euthanasieverzoek komt het aan op de bedoeling van de opsteller die mede met behulp van de context van totstandkoming ervan kan worden vastgesteld.  Een arts hoeft volgens de PG niet in alle gevallen te proberen om met een wilsonbekwame dementie-patiënt te communiceren over euthanasie. Als een arts tot de conclusie komt dat dit zinloos is en onnodig belastend voor de patiënt, moet dit medisch-professionele oordeel in beginsel worden gerespecteerd door de rechter. Een arts is nooit verplicht om euthanasie te verlenen, ook niet indien aan alle wettelijke zorgvuldigheidseisen is voldaan. In de vordering betreffende de strafzaak geeft de PG aan dat de procedurele positie van de vervolgde arts aandacht behoeft in het licht van de voorwaarden van een eerlijk proces.

De PG komt tot de conclusie dat het oordeel van de rechtbank in de strafzaak, dat de zorgvuldigheidseisen door de arts voldoende zijn nageleefd, niet in strijd komt met de plicht van de Staat het leven van kwetsbare mensen te beschermen en tegelijkertijd wel recht doet aan het zelfbeschikkingsrecht dat de wetgever in de Euthanasiewet centraal heeft gesteld. In de tuchtzaak komt hij tot de conclusie dat het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg het handelen van de arts zelfstandiger had moeten toetsen en zich minder gebonden had moeten achten aan het oordeel van de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie.

Uitspraak Hoge Raad
De Hoge Raad zal waarschijnlijk uitspraak doen in het voorjaar van 2020.

Een uitspraak van de Hoge Raad in een zaak waarin sprake is van een cassatie in het belang der wet heeft geen rechtsgevolgen voor de betrokken partijen. De uitspraak van de eerdere rechter blijft voor de partijen gelden.